De familie Stoppendaal

De ingang voor de persoonskaarten

©Nelly van der Hoeven

|A |B |C |D |E |F |G |H |I |J |K |L |M |N |O |P |Q |R |S |T |U |V |W |X |Y |Z |-- |

Johanna Maria Elisabeth Snellen

develstein-1741.jpg Slot Develstein in 1741
GeslachtVrouw
Leeftijd89 jaar
 
Geboren1-10-1726teOosterhout
Overleden31-10-1815teBreda
Vader Willem Snellen
 Geboren 10-3-1669
 Overleden 23-12-1730
Moeder Godelive van Broeckhuijsen
 Geboren 12-6-1684
 Overleden 1754
 
Huwelijk ?-3-1794 te Brussel
 
metFlorentinus Alexander Augustinus van Dam
 Geboren± 1765
 Overleden25-1-1814
 
 
Notities persoonBij het overlijden van haar moeder, Godelive, in 1754, waren er 2 "kasteeltjes" in de nalatenschap, het in Oosterhout gelegen Spijtenburg, later Lindenborg genaamd, en het nabij Zwijndrecht gelegen Develstein. Spijtenburg werd nog een jaar aangehouden in een onverdeelde boedel van Johanna en haar jongere broer Willem en zuster Amarante, en werd daarna toebedeeld aan Amarante. Develstein ging naar Johanna’s broer Willem.
Willem noch Amarante zijn gehuwd geweest of hadden kinderen. Zij zijn kort na elkaar in 1791 overleden, eerst Amarante en daarna Willem. Amarante had Spijtenburg nagelaten aan Willem en Johanna gezamenlijk. Willem had in zijn testament al zijn goederen vermaakt aan zijn enige nog levende zuster, Johanna, dus inclusief Spijtenburg en Develstein.
Wel had Willem in zijn testament een speciale clausule opgenomen voor Develstein, namelijk dat ‘het huijs de Develsteijn met alle landerijen daar annex’ na het overlijden van Johanna Maria Elisabeth direct in eigendom zou overgaan naar Pieter Snellen Tobiaszoon en diens broer Bartholomeus Snellen, kleinzonen van Hendrik Snellen, de enig nog levende mannelijke nakomelingen van Willems grootvader, (*a5736*pk.php">Pieter Snellen*a*). Ook nadat deze beiden zouden zijn overleden, moesten genoemd huis en landerijen in de familie Snellen blijven, zonder dat iets daarvan zou mogen worden verkocht. Het huis en de bijbehorende plantage moesten in goede staat worden gebracht en onderhouden, aldus het testament (van der Hoeven, 1923). Mogelijk is dit expliciete verbod om Develstein buiten de familie Snellen te vervreemden ingegeven door de wens nog iets van de Snellen goederen te behouden in de familie Snellen en te voorkomen dat ook Develstein over zou gaan in de handen van de familie van der Hoeven (van Leer & Jonker, 2007).

Deze Johanna was dus zeer vermogend, nadat ze een aanzienlijk gedeelte van het Snellen vermogen had geërfd en ook het merendeel van het van Broeckhuijsen vermogen. Zij moet, volgens de overlevering, een zeer bijzonder persoon geweest zijn. Mooi en vermogend kon zij meer dan eens een voordelig huwelijk aangaan, doch die huwelijksaanzoeken sloeg zij alle af, omdat zij niet anders dan met een Graaf of een Baron wilde trouwen.

Dit kwam toevallig ter ore aan de 28-jarige Rooms-Katholieke Belgischen Graaf, of eigenlijk Vicomte (Burggraaf), van Dam, toen deze bon-vivant, wiens financiën in een deplorabele staat verkeerden, in het najaar van 1793 met een groep vrienden een plezierreisje naar Rotterdam maakte. De toen 67-jarige Johanna Maria Elisabeth verbleef op dat moment in Rotterdam bij haar familie. Om haar te ontmoeten, deed hij alsof hij gehoord had, dat zij in Oosterhout een buitengoed te koop had, waarvoor hij wel interesse zou hebben. Toen zij hem te kennen gaf dat dit onjuist was, vroeg hij en verkreeg hij toch zonder moeite toestemming om bij haar op bezoek te komen. En die gelegenheid gebruikte hij meteen om haar ten huwlijk te vragen. Verheugd dat zij de gedroomde Graaf eindelijk aan den haak kon slaan, nam zij zijn aanzoek maar al te graag aan. (van der Hoeven, 1923).

Het tweetal liet er geen gras over groeien en zijn reeds in maart 1794 getrouwd.
Kort na hun huwelijk zijn ze hun onderlinge verhouding en gedragslijnen in der minne overeengekomen. Volgens de verhalen in de familie van der Hoeven zou de nieuwbakkken gravin ongeveer het volgende tegen van Dam gezegd hebben: "Wij behoeven nu geen comedie meer voor elkaar te spelen. Met ons huwelijk was het mij om de titel van Gravin, en u om mijn geld te doen. Welnu, gij krijgt van mij een jaarlijks inkomen; wij kunnen op ons zelve blijven wonen, gij te Brussel en ik te Oosterhout. Hebt gij lust mij te bezoeken, mijn huis Lindenborg zal steeds voor u openstaan, ook als gij met uw vrienden jachtpartijen enz. te Oosterhout wilt komen houden. Wij krijgen beiden onze vrijheid weer en behoeven elkaar volstrekt niet te hinderen." (van der Hoeven, 1923).

Dit ging natuurlijk mis. De uitspattingen van van Dam kosten beduidend meer dan zijn jaarlijkse toelage. Gravin Johanna heeft ettelijke keren tegen haar jeugdige verkwistende echtgenoot geprocedeerd om zijn uitgaven te beteugelen, maar, hoewel zij in het gelijk werd gesteld, waren die pogingen toch tevergeefs.

Als gevolg van de financiële aderlatingen door de verkwistende echtgenoot, werd het onderhoud van Develstein zwaar verwaarloosd, schoot ook het onderhoud van haar woning Lindenborg ernstig tekort, en is haar vermogen aanzienlijk geslonken.

Ondanks de door zijn verkwistende gedrag en de processen verstoorde relatie bleef Van Dam van tijd tot tijd Oosterhout bezoeken om het beheer van zijn vrouw te controleren en de hem toekomende gelden in ontvangst te nemen. Geheel tegen de verwachting in overleed de jeugdige graaf nog vóór zijn bejaarde echtgenote op 21 januari 1814, toen hij, op weg naar Oosterhout, bij kennissen in Breda logeerde.

Ruim een jaar later, in oktober 1815, kreeg de weduwe Johanna een ongeluk met haar rijtuig waarbij zij ernstig gewond werd en geheel buiten zichzelve raakte van schrik. Haar achternicht Agatha Snellen heeft haar toen bij zich in haar huis in Breda opgenomen en liefdevol verpleegd. Deze achternicht, en haar echtgenoot Govert George van der Hoeven, waren na het huwelijk van Johanna gedurende lange tijd met haar gebrouilleerd geweest, maar hadden zich drie jaar voor dit ongeluk weer met haar verzoend. Nu ze zo goed voor Johanna zorgden, heeft Johanna tot 3 keer toe in 5 dagen tijd haar testament ten gunste van Agatha en Govert George aangepast. Kort daarna verergerde haar toestand dramatisch, en 11 dagen later is zij overleden.

Het verhaal van haar huwelijk is de inspiratiebron geweest voor de romantische roman, "De laatste jonkvrouw van den Develstein" van Van der Bilt la Motte (1856)